Fragmenten uit de nieuwe autobiografie van Wim Beek “Held op krukken”
Fragment 1
De ochtendzon wordt steeds warmer op mijn huid. Ik sta tot mijn enkels in het water en kijk naar de kleine grijsblauwe visjes die rond mijn voeten cirkelen. Achter mij hoor ik stemmen. Ik draai me om en stap op de kant. Klaas heeft waterski’s en een rugzak bij zich, Peter draagt een koelbox en een plastic zak. Ik zwaai en roep: ‘Môgge, mannen!‘ ‘Hee, Beekie’, roept Peter terug. Peter is ’s ochtends altijd fris en fruitig.
Ik wijs met mijn hand: ‘Mijn auto staat daar.’ Zwijgend steken we de weg over. Ik doe de klep open en leg de spullen in de achterbak. Het is 2 minuten rijden naar de jachthaven.
Ik parkeer en we lopen de steiger af naar de boot. De 220 pk Larson heeft al aardig wat mijlen gevaren. We laden onze spullen in. Peter gooit de trossen los. Klaas start de motor en manoeuvreert de motorboot de jachthaven uit. Peter en ik halen de stootboeien binnenboord en trekken de zomerkap naar achteren. Rustig varen we over de Zijl naar het Joppe. Klaas haalt een thermoskan en plastic bekertjes tevoorschijn en schenkt thee in.
‘Dit is pas lekker wakker worden,’ zegt Klaas. Hij leunt achterover in de kussens en legt zijn benen op de kuiprand. Ik ruik de frisse geuren van zomerlucht en het zoete water. Het geluid van de kletsende romp op het water overstemt de monotone brom van de motor. Hier wil ik zijn, met mijn vrienden op het water. Dit gevoel kan niemand van mij afpakken.
Sinds Nadine mij heeft verlaten, een maand geleden, ligt mijn leven overhoop. Aan het begin van de zomer van vorig jaar had ik haar gezegd dat het misschien beter zou zijn om uit elkaar te gaan. Ik zou met mijn studie beginnen en zij zou het gymnasium afmaken. Als student zou ik een heel nieuw leven opbouwen. De lijntjes met vastigheden die ik nog had wilde ik zoveel mogelijk verbreken om ruimte te maken voor mijn nieuwe leven. Lidmaatschappen van de tennis- en hockeyclub had ik opgezegd en ik zou mijn baantjes, achter de bar bij de Koets en op zaterdag bij Albert Heijn, snel opzeggen. Mijn vrienden waren al uitgevlogen.
Na mijn eindexamen vorig jaar hadden Nadine en ik al gesproken over onze relatie en of we wel verder zouden gaan. Maar we trokken toch weer naar elkaar toe.
Ik denk terug aan de dag van mijn laatste examen van de propedeuse. Het was goed gegaan en ik had de tentamens gehaald. Ik had me verheugd op de reis met Nadine. In mijn enthousiasme had ik al een grof plan gemaakt met mogelijke reisdoelen. Een maand lang zouden we met de auto op reis gaan, naar Wenen, naar Boedapest en nog verder. Voor het eerst in drieënhalf jaar zouden wij zolang samen zijn.
Nu vertelt ze me dat ze niet meer van me houdt. Het blijft in mijn hoofd rondspoken. Heb ik iets verkeerd gedaan? Hadden we er dan niet over kunnen praten? Wat is er het afgelopen jaar allemaal met haar gebeurd dat aan mij voorbij is gegaan? Ik mis Nadine en ik voel me door haar belazerd. De drie en een half jaar dat we samen zijn geweest lijken niets meer te betekenen. We konden elkaar toch vertrouwen? We zijn toch altijd eerlijk tegen elkaar geweest?
Ik heb geen idee wat ik deze zomer moet gaan doen. Alleen Klaas en Peter zijn nog hier. We waterskiën en stappen. Ik zucht. Hoe ik hier allemaal mee om moet gaan weet ik niet. Het voelt alsof ik in een vacuüm ben gezogen.
Langs de oevers zijn de eenden druk op zoek naar voedsel. De meerkoeten laten van zich horen en beschermen hun kuikentjes. Ik hou van dit zomerse tafereel. De eendjes zullen altijd blijven kwaken. Wat er ook gebeurt. Of ik nou verdrietig ben of blij.
De molens aan het Joppe zie ik al in de verte. Peter verzamelt de waterski-spullen. Ik gooi de ski’s in het water naast de boot. ‘Wie gaat er zo eerst?’ Peter plonst in het water en schuift de ski’s aan zijn voeten. Ik gooi hem de lijn toe en hij pakt de handle. Klaas geeft gas en de lijn trekt strak. Peter veert op uit het water en zwiert sierlijk over de plas.
Ik ben aan de beurt. De Larson sleurt me uit het water. De spieren in mijn lichaam spannen zich aan. ‘Joehoehoe, waanzinnig!’ schreeuw ik. Ik trek me al snel door de hekgolf naar de andere kant. We scheren vlak langs de vakantiehuisjes aan het eind van de plas. Klaas weet mij goed uit te dagen. Na een paar rondjes verzuren de spieren in mijn armen. Met mijn duim naar beneden sein ik naar Peter dat ik vaart wil verminderen.
Alle kracht is uit mijn rechterhand weggevloeid. Ik kan mijn vingers niet meer om de handle krijgen. ‘Wil je stoppen?‘ schreeuwt Peter. Jah!’ roep ik terug. Klaas heeft de boot alweer naar mij toe geleid.
Het lukt me om alleen met mijn linkerhand in de boot te klimmen. ‘Zullen we hier pauzeren?’ vraagt Klaas. Bij de Kaagsociëteit stappen wij op de steiger. Klaas geeft me een bekertje thee. Het bekertje glipt door de vingers van mijn rechterhand op de steiger. ‘Alles oké, Beekie?’ vraagt Peter.
Ik schrik, maar ik laat niks merken. Ik heb altijd een lichaam gehad waar ik op kan rekenen. Maar nu… is het alsof er ergens een draadje is losgeraakt.
Mijn rechterhand ligt slap op mijn bovenbeen. Het lukt me om met mijn vingers te wiebelen. Maar het gaat stroef. Alsof er een laagje tussen zit. Alsof de zenuwen ergens onderweg zijn uitgevallen.
Shit, ik heb toch geen tia? Of een herseninfarct?
‘Ja hoor, alles oké,’ zeg ik automatisch. Mijn stem klinkt luchtig, alsof ik net iets heb verteld over mijn nieuwe sneakers. Maar van binnen voelt het anders. Als een aardverschuiving.
De boot deint tegen de touwen. De wind strijkt langs mijn gezicht. De lucht is lichtblauw, met een paar wolkenflarden die traag over drijven. In de verte rommelt het. Klaas en Peter hebben het over hun vakantieplannen, over hun vriendinnen. Ik knik, lach mee, reageer op momenten. Maar mijn aandacht trekt telkens weer naar mijn arm. Die tinteling in mijn vingers. De kracht en coördinatie ben ik verloren. Is er iets geblokkeerd, of juist opengezet? Het gebeurt toch wel vaker dat je spieren tintelen? Misschien heb ik slecht geslapen. Teveel gedronken. Of te weinig gegeten. Of… wat dan ook. Maar eigenlijk weet ik wel: dit is geen gewone spiervermoeidheid. Dit is anders.
‘Gaan we nog een rondje?’ vraagt Peter.
Ik haal mijn schouders op. ‘Ik kijk wel even. Misschien straks.’
We gaan terug aan boord en pruttelen terug naar de jachthaven. Op de parkeerplaats nemen we afscheid. Peter slaat me op mijn schouder. Klaas zegt: ‘Zeg maar wanneer je weer zin hebt om te waterskiën.’
Ik knik. ‘Komt goed, mannen.’
Ik ga in mijn auto zitten en houd mijn rechterhand op het stuur, om te kijken en te voelen. Mijn vingers bewegen trager dan normaal. Met mijn wil kan ik ze niet goed meer sturen.
Thuis neem ik een lange douche. Ik voel het hete water over mijn rug stromen. Mijn rechterarm voelt anders. Als een prikkelend soort leegte. Alsof hij niet meer van mij is. De stralen spoelen mijn tranen weg.
Voor de spiegel probeer ik te lachen. Mijn gezicht ziet er normaal uit. Mijn ogen rood en moe. Door te laat naar bed gaan de afgelopen weken. Of teveel drank. Of Nadine. Of alles bij elkaar.
Ik ga op mijn bed liggen met een handdoek om mijn middel en nat haar in mijn nek. De kamer is stil, op een zacht geruis van auto’s in de verte na. Een bromvlieg zoemt ergens tegen het raam. Ik volg hem met mijn ogen, totdat hij uit beeld verdwijnt.
Fragment 2
Het leven op zaal was verrassend overzichtelijk. Elke dag dezelfde verpleegkundigen, dezelfde boterhammen met kaas, dezelfde lucht van spiritus en gekookte koffie, dezelfde vragen van de buurman in het bed naast me die telkens vergat dat hij die al gesteld had. Alles was ineens klein geworden. Geen deadlines, geen studiestress, geen liefdesdrama’s. Alleen maar: vandaag.
En een lichaam dat op pauze stond.
De dagen leken op elkaar, maar er waren ook kleine overwinningen. Na een paar weken kreeg ik oefeningen op de trap van Roel. Vooruitgang werd gemeten in treden. En in blikken: de eerste keer dat ik de trap zelfstandig op ging, zag ik Roel even knikken — niet professioneel of formeel, maar echt. Van binnenuit. Die blik zei: je doet het.
In die periode kwam Nadine langs. Ze stond ineens bij mijn bed, een beetje ongemakkelijk, met een plastic tasje van de HEMA in haar hand. We praatten. Over van alles en tegelijk over niets. Er hing iets in de lucht van: dit is het echte afscheid. Niet het zinnetje dat ze tegen me had gezegd. Dit was het moment waarop ik voelde: we zijn klaar. Geen boosheid meer, geen verdriet. Alleen nog een soort weemoed. Alsof we samen naar iets keken dat ooit waardevol was, maar nu niet meer van ons was.
En toen kwam het oordeel van de neuroloog, dokter Storms.
“We ontslaan je,” zei hij met zijn gebruikelijke mengeling van gezag en afstandelijkheid. “Maar je moet nog zeker zes maanden rust nemen.”
Zes maanden? Ik knikte. “Ja hoor, is goed,” zei ik. Maar inwendig dacht ik: Dat zullen we nog wel zien.
“Mag ik dan wel naar college?” vroeg ik nog, alsof ik de regie terug wilde.
Maar hij reageerde niet eens. Gewoon doorlopen. Dat was het antwoord.
Mijn moeder haalde me op. We reden terug naar haar huis. Toen we de voordeur opendeden zei ze: “Ik heb een verrassing voor je.”
Nog wat wankelend liep ik naar binnen. Daar, aan de eettafel, zaten mijn beste vrienden: Rafael, Bobby, Richard en Bram. Mijn moeder had dit voor me geregeld. Dit voelde als thuiskomen.
We hadden een avond als vanouds. Alsof er niets gebeurd was. Ik besloot om spoedig weer terug te gaan naar mijn kamer in de Janvossensteeg. Ik knapte langzaam op. In december voelde ik me sterk genoeg om weer tentamens te maken. Ik studeerde, maakte samenvattingen en haalde voldoendes. Alles in mij zei: Ok, dit was tijdelijk. Ik kom hier doorheen.
Langzaam vond ik mezelf weer terug.


